In de zeventiende en achttiende eeuw hebben meer dan een miljoen mannen en een paar duizend vrouwen de verre reis gemaakt naar de koloniale vestigingen van de VOC en WIC. Hoe leefden ze daar en wat weten we eigenlijk van hun opvattingen over de exotische streken waar ze vertoefden? Hoe keken zij naar de mensen die zij ‘aan de overkant’ ontmoetten? Waren deze reizigers en emigranten geïnteresseerd in andere culturen? Begrepen zij iets van de andere religies, gewoonten en samenlevingen waarin zij terechtkwamen? Of ging het hen alleen maar om het najagen van het eigenbelang voor hun bazen of voor zichzelf.

De Nederlanders die we in de bronnen tegenkomen brachten hun eigen opvattingen, ja, begrijpelijkerwijs, hun cultuur- en groepsgebonden oordelen mee. Die klinken vaak door in denigrerende of jaloerse opmerkingen. Maar gelukkig zijn er ook voorbeelden van waardering en samenwerking: plaatselijke informanten speelden bijvoorbeeld een belangrijke rol in de overdracht van kennis van andere culturen.

Deze bundel levert een kostelijke verzameling verhalen op over de vraag hoe Nederlanders en ‘zij die aan de overkant leefden’ over en weer naar elkaar keken en elkaar de maat namen.