Zuid-Nederlanders in het Amsterdam van Rembrandt

In 2002 vierde Amsterdam de vierhonderdste verjaardag van de oprichting op 20 maart 1602 van de Verenigde Oostindische Compagnie. Amsterdam en de vijf andere Kamers, Hoorn, Enkhuizen, Middelburg, Rotterdam en Delft, stonden aan de wieg van de allereerste onderneming op aandelen in Europa. De rijkdom, die de handel op de Oost meebracht, was één van de grondslagen van de Gouden Eeuw.

De invloed van de Zuid Nederlanders bij deze oprichting is vergeten. Reeds voor de val van Antwerpen in 1585, weken talloze Vlamingen en Brabanders uit naar de Hollandse en Zeeuwse steden. Na dit dramatische jaar volgden de handwerkers, koopmannen, tapijtwevers, reders, cartografen, theologen, leraars, plateelbakkers, bouwmeesters, suikerbakkers en drukkers.

Kamer Amsterdam was veruit de belangrijkste en bepaalde in grote mate het beleid van de Staten Generaal. De Zuid Nederlanders onderschreven voor 38 procent in haar oprichtingskapitaal. De grootste inschrijver was Isaac Lemaire uit Doornik.

Wanneer de reiziger Amsterdam bezoekt, loopt hij onbewust de vele plaatsen voorbij waar huizen gebouwd en bouwstijlen ontwikkeld werden door deze immigranten. In het Rembrandtjaar schuiven de toeristen aan in het Rembrandthuis, maar weten niet dat het gebouwd werd door een zoon van een tijkwever uit Turnhout. En hoe verliefd Brederode was op Magdalena Stockmans uit Antwerpen, zullen weinigen zich herinneren, zoals zij ook het droeve lot van Catelijne de Vos uit Hoboken niet kennen, die in het Spinhuis werd opgesloten omdat zij uit nood en gebrek haar liefde en lichaam verkocht.

Toen Rembrandt zich in 1631 in Amsterdam vestigde, liep de migratie op zijn einde: de Gouden Eeuw begon aan haar trotse volwassenheid. Juist in deze periode ontwikkelden zich in Amsterdam de grote figuren en geesten die de 17de- eeuw haar uitstraling en grootsheid zullen geven.

Merkwaardig is de kleine plaats waar al dit geweld zich ontplooit, amper enkele honderd vierkante meters groot, zich uitstrekkend tussen de Kloveniersburgwal, de Nieuwmarkt, de Dam en de Oudezijds Wallen. Het economische hart lag in het Oostindisch huis. De regenten zetelden in het Stadhuis en de Admiraliteit vestigde zijn hoofdkwartier aan een nietige, dompige gracht.
De boeken en atlassen werden gedrukt achter kleine trapgeveltjes. Theologen en filosofische denkers onderwezen, disputeerden en maakten ruzie tussen de vissers en schippers die zich opwarmden in de herbergen en proeflokalen.
Een aparte plaats namen de bouwmeesters, timmermannen, etsers, beeldsnijders en schilders in. De Zwanenburgwal, amper enkele meters van de Kloveniersburgwal verwijderd, was hun gebied.

Wandeling I, ongeveer vijf kilometer lang, laat heel het bonte leven van Brabanders, Vlamingen en Hollanders opnieuw beleven.
Wandeling II, eveneens vijf kilometer, sluit hierop aan. Deze wandeling gaat naar de Grachten, het woongebied van de Hoogmogenden die er hun groeiende rijkdommen ijdel tentoon spreidden.

Ontelbare kilometers wandelde ik door de stad, jaren geleden de toeristenstromen volgend langs de geijkte paden van de Kalverstraat, de Dam en grachtenrondvaart.
Het was mooi en gezellig, tot ik plots een beduimeld boekje vond in de Oudemanhuispoort. Het wees mij de weg naar Catelijne de Vos en het Spinhuis er vlakbij. Ik las over de jaloerse Brederode en zijn rijke mededinger Isaac van der Voort, die Magdalena Stockmans veroverde. Bij het statige herenhuis aan de Oudezijds Voorburgwal, stelde ik me deze mooie dame voor, hoe zij de kade langsliep en in een ‘lebbig’ Brabants haar geliefde Brederode afwees en koos voor een stadsgenoot uit Antwerpen.

En zo begon mijn ontdekkingstocht van de Zuid Nederlanders in Amsterdam: Catelijne uit Hoboken en Magdalena uit Antwerpen. Zij vertellen de hele tragiek en triomf van de migratie naar deze Gouden Eeuwse Stad.
Het kan niet anders of zij hebben de nieuwkomers gekend en een jonge klare gedronken met de fiere koopmannen uit het oude Brabant gekleed in fluweel. Op een mooie lentemorgen keek Spinoza verliefd hoe Clara Maria van den Enden boter en kaas kocht op het Oudekerksplein. ’s Avonds stond het op tafel bij haar Antwerpse vader die Latijnse les gaf aan de toekomstige filosoof.
En hoeveel modellen plukte Rembrandt uit de vele straatmadelieven in de Pijlsteeg? Kwam één van hen uit Hoboken?

Mijn oprechte dank gaat naar de Verenigde Oostindische Compagnie Kamer Antwerpen vzw, die de uitgave van dit boek voor haar rekening nam. Het bestuur, Walter Eynikel, Hubert Nees, Frank De Winter, Chris Van Riel en Jan Hubert, steunde mij met adviezen, correcties en creatieve belangstelling. Gastvrouw Joke van Dijk van het verenigingslokaal Cleyn Seelant, schonk er vele oorlammen. Ik ben hen zeer dankbaar. In het bijzonder bied ik Sus Mees mijn diepe waardering aan. Zijn gedreven opzoekwerk en waardevolle verslaggeving over de Vlamingen, Brabanders en in het bijzonder de Antwerpenaars, gaven mij de liefde en volharding om de dikwijls lange files naar Amsterdam te trotseren.
En heerlijk zijn de herinneringen aan het verdwalen in de stad met Gaitske Dijkstra uit Gouda. Het regende af en toe, maar meestal scheen de zon over een terras of hoorden we onze voeten knisteren in het witte zand van een oud café.

Antwerpen-Amsterdam
Voorjaar 2005 – lente 2006.

Prijs: 7,50 eur
Verzending in België: 5 eur
Verzending in Europa: 10 eur

Online bestellen